Hoe moet het nu verder met het MBO?

Verslag van een gesprek met Herman Blom.

Tijdens de Tweedaagse van het Platform Medezeggenschap BVE die dit jaar ‘De mens als productiefactor’ als thema had, was Herman Blom een van de sprekers. Zijn boodschap over het beroepsonderwijs in Nederland kwam aan als een mokerslag. Hij liet zijn 250 toehoorders achter met een gevoel van verbijstering. Tijd voor een gesprek met Herman Blom, publicist en werkzaam in het hoger beroepsonderwijs in Nederland en Duitsland.

We treffen Blom in Groningen in ‘De Beurs’ een oud café-restaurant in het centrum van de stad. Eerst praten we nog wat na over zijn bijdrage aan de Tweedaagse.

Hij vertelt dat hij, nadenkend over zijn bijdrage aan onze Tweedaagse, aan een artikel was begonnen dat binnenkort verschijnt in Vakwerk, het medium van Beter Onderwijs Nederland. Veel van wat we bespreken zal ook in dat artikel zijn terug te vinden.

We hebben het over hoe Kamerleden die kritisch naar het beroepsonderwijs kijken o.a. door een groepje waar Blom deel van uitmaakt van informatie wordt voorzien. Achter de schermen wordt hard gewerkt om het MBO in beweging te krijgen. Het ministerie zit niet stil, de MBO-raad trouwens ook niet, maar ze hebben helaas geen gedeeld probleembesef.

Als het gesprek eenmaal goed op gang komt, wordt duidelijk waar wat hem betreft de schoen echt wringt. Er spreekt geen nostalgie uit zijn woorden; het klinkt als een koele constatering: ‘Vroeger waren scholen verenigingen en was de invloed van de samenleving, van de direct betrokkenen groot. De schoolbesturen, de lerarenvergadering, de ouderraad: ze hadden beslisbevoegdheid en de directeur luisterde naar ze. Nu is dat totaal anders. Er zijn nu stichtingen waarin slechts sprake is van beperkte invloed. Invloed werd inspraak’. Er ontstonden inspraakrituelen, maar de invloed verdween. Hij zegt dat het onderwijssysteem los is komen te staan van de direct betrokkenen. Publieke taken die ooit geklonken waren aan de basis vormden een systeem dat democratische controle in zich droeg en garandeerde. Dat is nu verdwenen. De mensen aan de top beslissen. Mede dankzij de lumpsum financiering zijn ze losgezongen van de basis en zij beslissen nu min of meer geheel zelfstandig en ze doen maar wat hen goed dunkt. Daardoor kunnen er zulke uitwassen ontstaan zoals we ze nu heel duidelijk zien bij het ROC Leiden. Het is eigenlijk een bijna feodaal systeem geworden, compleet met krijgsheren die de macht in handen hebben. Als samenleving hebben we er zowel van onderaf als van bovenaf geen controle meer op.

Blom constateert dat datgene wat de bedrijven vragen door de ROC’s niet wordt geleverd en dat is volgens hem het resultaat van het gekozen systeem. Men gaat niet uit van de wensen en behoeften van de bedrijven maar van de wensen en behoeften van de student. Studenten kiezen bovendien voor opleidingen die ze wel ‘leuk’ vinden. Je zou echter het opleidingssysteem zo moeten inrichten dat de vraag vanuit het bedrijfsleven wordt gehonoreerd, zowel in aantallen studenten als ook in de inhoud van de opleiding.

Hoe anders is dat bij onze oosterburen:

Daar is het middelbaar beroepsonderwijs niet alleen de groeimotor van de kenniseconomie, maar het fungeert ook als emancipatiemachine voor grote groepen scholieren uit niet-academische milieus. Een MBO- diploma is daar een voldoende voorwaarde voor een goede carrière en een dito goed inkomen. Ook de integratie van migrantenjongeren is gebaat bij een degelijk duaal systeem van beroepsopleidingen waarin leerling en bedrijf naar elkaar toe een verplichting aangaan. De jongere die een echt vak leert in een bedrijf en zich committeert aan dit bedrijf ontwikkelt een gevoel van beroepseer en –trots op zijn bedrijf. En dat geeft ook de verbinding met zijn nieuwe land een goede bodem. Nederlandse studenten zouden zich ook meer met hun beroep moeten kunnen vereenzelvigen en op vergelijkbare wijze een gerespecteerde maatschappelijke positie moeten kunnen verwerven. In Duitsland slaagt men er ook in vluchtelingen snel in een beroepsopleiding te interesseren, ook al wil niet iedereen opgeleid worden voor de blauwe overall. Wanneer er echter zicht is op een maatschappelijk gewaardeerde functie, b.v. als bakker of slager, heeft men niet alleen in het nieuwe vaderland perspectief, maar ook bij eventuele terugkeer naar het land van oorsprong zicht op een betere toekomst.

In Duitsland wordt het beroepsonderwijs op een heel andere manier vormgegeven. Daar doorloop je op een veel natuurlijker manier een praktijkopleiding, eerst ben je ‘Lehrling’, dan word je ‘Geselle’ en uiteindelijk word je ‘Meister’. Een leven-lang-leren wordt dan vanzelfsprekend. Zoals gezegd geeft een mbo-diploma daar vrijwel altijd een baangarantie. Een jongere leert daar het vak in een bedrijf en ontvangt tijdens zijn opleiding ook nog loon. Door het commitment van het bedrijf, heeft de jongere meteen al een economische zelfstandige positie.

Hoe anders is dat in Nederland waar het beroepsonderwijs zich ver van de praktijk ontwikkelt binnen ROC’s en waar het mbo vaak wordt gezien als een tussenstap naar het hoger beroepsonderwijs. Het echte probleem in Nederland is “dat de ROC’s hun onderwijs zo inrichten dat ze veel studenten krijgen”.

Men past zich aan: het aanbod bepaalt de wens van de student en het niveau wordt nog al eens naar beneden bijgesteld.

Blom stelt nogmaals dat in Nederland vraag en aanbod op de arbeidsmarkt niet passen. Er is in Nederland een te grote vrijblijvendheid als het gaat om het kunnen kiezen van een studierichting en daarbij worden er vaak studierichtingen aangeboden die studenten trekken maar die niet of nauwelijks kansen bieden op de arbeidsmarkt. Het lijkt wel of de ROC’s hun functie als ruggengraat van de Nederlandse economie zijn vergeten. Volgens Blom is het sturingssysteem van de overheid hier mede debet aan. Maar ook hoe over de rol van het beroep in de opleiding wordt gedacht. Denk aan het verschil tussen de gecertificeerde praktijkopleiders in Duitsland die de hele week hun vak in het bedrijf uitoefenen (de zgn. Ausbilder) en de Nederlandse opleiders in de scholen (in de bedrijven zie je zelden een opleider) die vaak alleen met een theoretische studie en lerarenopleiding vakmensen moeten opleiden. Het opleiden in de praktijk dient weer centraal te staan. Je kunt je voorstellen dat de MBO-leraren voor de algemene vakken een academische opleiding zouden hebben en dat bedrijfsopleiders gecertificeerd zijn. Het algehele niveau zou dan een stuk omhoog gaan. Blom vindt dat de lage scholingsgraad van Nederlandse leraren en docenten, van basisschool via middelbare school tot MBO en HBO een wezenlijk deel is van de problematiek van het Nederlandse onderwijs. Die veel hogere scholingsgraad is het geheim van het Finse en Duitse systeem. Initiatieven in het opleidings- en werkveld laten overigens al een verschuiving in deze wenselijke situatie zien.

Naschrift: Toeval of niet, blijkens een brief van de minister van onderwijs Jet Bussemaker, gaat er inderdaad wat veranderen in het Nederlandse MBO. Zij liet kort voor het ter perse gaan van dit artikel weten welke plannen zij heeft met de ROC’s: er moeten binnen de ROC's kleine, herkenbare mbo-colleges komen, niet groter dan 5.000 studenten. Deze kleine colleges mogen een eigen naam gaan voeren en krijgen een eigen onderwijsdirecteur. Ze hoopt dat het bedrijfsleven dan ook wil investeren in het MBO.