medezeggenschap unieblad 2

Gedragscode dringende noodzaak (UNIENFTO tijdschrift 27-11-2020)

Medezeggenschap in het MBO

Een structurele weeffout in het systeem maakt het voor leden van een OR moeilijk om zich al te nadrukkelijk in negatieve zin uit te spreken over beleid of over beleidsvoornemens. Het probleem schuilt in de afhankelijke positie die elk OR-lid nu eenmaal heeft ten opzichte van zijn werkgever. Ik ben niet de enige die aan den lijve heeft ervaren hoe een collegevoorzitter -omdat ik publiekelijk kritiek uitte op het gevoerde beleid- mij het leven zuur trachtte te maken. Je bevindt je in een precaire positie wanneer je het niet eens bent met de bestuurder en je elkaar treft bij een geschillencommissie. Zelfs in het traject daaraan voorafgaande worden soms oneigenlijke middelen ingezet, zoals een gesprek over het functioneren van het OR-lid in het werk buiten de OR, of over een onkostendeclaratie, waarvoor de bestuurder eerder nooit belangstelling toonde. Daarmee omzeilt een bestuurder de relatieve rechtsbescherming die een OR-lid geniet, want op zijn functioneren binnen de OR kan hij officieel niet ter verantwoording worden geroepen.

Deze weeffout in het systeem bemoeilijkt het naar behoren functioneren van een OR. Men kan nooit op een vergelijkbare wijze zoals bij voorbeeld een Raad van Toezicht of een lid van de Tweede Kamer kritiek uiten op het voorgenomen, c.q. het gevoerde beleid, zonder zich bewust te zijn van mogelijke persoonlijke consequenties daarvan.

Bewustwording bij bestuurders van dit probleem en een gedragscode zouden een eerste stap in de goede richting zijn. Wanneer men de OR en het functioneren van de medezeggenschap in de organisatie van waarde acht en dat ook met de mond belijdt, zou een gedragscode ter bescherming van OR-leden volgens mij een logische stap in de goede richting zijn om het geschetste probleem aan te pakken. Een wettelijke regeling zoals die voor klokkenluiders is gemaakt lijkt me hier niet de geëigende oplossing. Uitgaande van de goede wil van menig bestuurder, die mij steeds weer gebleken is bij de regionale bijeenkomsten die wij drie jaar geleden samen met de MBO Raad organiseerden, moet het mogelijk zijn om een regeling op te stellen waaraan bestuurders van de instellingen zich onvoorwaardelijk verbinden. Het lijkt me overigens bepaald niet wenselijk dat iedere instelling voor zichzelf iets opstelt met als gevolg een onoverzichtelijke lappendeken van regelingen waar niemand meer uitkomt en die de deur wijd openzet voor willekeur. Dan schiet je het doel voorbij!

Als men de raad van een niet gering aantal mensen, bestuurders en anderen, die ons in de loop der jaren hebben toegesproken tijdens de ‘Tweedaagse’, ter harte neemt, dan wordt ervoor gezorgd dat de ‘gouden driehoek CvB, RvT, OR’ echt goed kan gaan functioneren. Daarvoor is een regeling ter bescherming van OR-leden het middel bij uitstek. Gezien de goede relatie die wij, ondanks de voorkomende verschillen van inzicht, hebben met de MBO Raad, moet het mogelijk zijn om in gezamenlijkheid ervoor te zorgen dat zo’n regeling er komt. Alleen dan doen bestuurders recht aan hun steeds beleden waardering voor de medezeggenschap.

Het bestuur van het Platform neemt de handschoen graag op.

Rob Nederkoorn