lc lb
 
EEN ZAK MET GELD IS GEEN ZAKGELD (UNIENFTO 18-12-2020)
De Verkenning die het Platform vorig jaar publiceerde maakte duidelijk dat de MBO-instellingen meer dan voldoende middelen hebben om te investeren in de verbetering van de salariëring van het onderwijzend personeel, de leraren.
 De Verkenning liet ook zien dat er een toename is van de LB-functionarissen en een afname van de LC-functionarissen. Het gaat daarbij niet om slechts een paar instellingen, maar om een substantieel deel van de instellingen.
 De vraag die zich opdringt is:
Waarom doen Colleges van Bestuur daar niets aan? Wat is de achterliggende gedachte, wat is hun motief om maar niet tot actie over te gaan en te zorgen voor een betere salarismix? Immers bij goed werkgeverschap horen bepaalde verantwoordelijkheden. En die wegen des te zwaarder wanneer het gaat om intenties reeds lang geleden vastgelegd in een convenant. 
Waarom wordt grote groepen docenten de toegang tot een hogere salarisschaal ontzegd?
 Ik zou dat graag willen weten, maar kan er voorlopig alleen maar naar gissen. Gunnen ze (de bestuurders) het de docenten niet? Zijn ze bang dat het financieel uit hand loopt? Biedt het functiehuis en de beschrijving van de functies op instellingsniveau niet de mogelijkheden? Ontbreekt het aan een goede personeelsadministratie, of is er helemaal geen beleid? Zijn ze niet op de hoogte van het Convenant Actieplan Leerkracht uit 2008? Hebben ze geen kennisgenomen van de Verkenning en de oproep om het gesprek aan te gaan met hun OR?
 Ik kan me niet voorstellen dat bestuurders van zovele instellingen onwetend zijn, of onwillig, om de voor de hand liggende actie te ondernemen en ervoor te zorgen dat de beschikbare middelen worden ingezet voor het doel waarvoor ze bestemd zijn. Ik kan me niet voorstellen dat bestuurders uit onverschilligheid jegens hun docenten nalaten zich af te vragen waarom ze zoveel geld van de overheid krijgen. En ik kan me helemaal niet voorstellen dat ze voor het gemak alles wat er overblijft maar toevoegen aan het eigen vermogen van de instelling.
 Waar blijft al dat geld?
 In de laatste tien jaar is 450 miljoen beschikbaar gekomen om de salarissen van docenten in de Randstad te verbeteren en de werkdruk te verminderen. Weer stel ik de vraag waarom dat geld maar zeer ten dele is ingezet voor het beoogde doel? Was het doel al snel bereikt? Van werkdruk geen sprake meer? Werd al meer dan 60% van de docenten in de LC-schaal betaald? Of was er geld nodig voor andere zaken?
 Het antwoord op al die vragen is helaas ontkennend. Er is nog steeds een te hoge werkdruk, nog veel te weinig docenten worden betaald in de LC-schaal en het benodigde geld om daarin verandering te brengen ligt gewoon op de plank.
 Bij goed werkgeverschap hoort m.i. ook dat je afspraken nakomt. Ik zou me kunnen voorstellen dat de MBO Raad als organisatie van de werkgevers, op basis van de vertrouwensfunctie die zo’n positie met zich meebrengt, de afspraken gemaakt met de overheid zou monitoren. Een periodiek onderzoek naar de nakoming van die afspraken en naar de inzet van de middelen en voortgangsrapportages over de uitvoering van de afspraken zouden niet misstaan.
 Eenzelfde rol -vanuit het perspectief van de werknemer- ligt volgens mij weggelegd voor de vakbonden en voor het Platform als vertegenwoordiger van de ondernemingsraden.
Werkgevers en werknemers, bestuurders en ondernemingsraden zouden regelmatig de constructieve dialoog moeten voeren over dit onderwerp. Om te zorgen voor een passend personeelsbeleid dat ook toekomstbestendig is, lijkt mij, die constructieve dialoog essentieel.
 Checks & balances?
 De overheid gaat bij het verstrekken van gelden aan het MBO uit van vertrouwen en voert geen controle uit op de besteding van de middelen. Men gaat ervan uit dat gehandeld wordt in de ‘geest van de lumpsum financiering’. Maar wat als dat vertrouwen beschaamd wordt en de middelen niet of niet geheel worden besteed zoals bedoeld? Wie moet dan ingrijpen? Moet er wel worden ingegrepen zullen sommigen zich afvragen. Ik vraag me af of we moeten wachten tot de wal het schip keert en de politiek zich ermee gaat bemoeien? Wachten tot men spreekt van een debacle en Den Haag zich voorbereidt op de zoveelste parlementaire enquête, dit keer over falend overheidsbeleid in het MBO?
 De vragen die dan gesteld zullen worden laten zich raden: Waarom is het geld niet besteed aan de in de afspraken gemaakte doelen? Waarom is er geen toezicht vanuit de sector zelf geweest? Waarom zijn de adviezen van de ondernemingsraden systematisch in de wind geslagen? Waarom heeft de minister niet gereageerd op signalen uit de medezeggenschap? Was de lumpsum financiering, achteraf gezien, niet een grote vergissing? 
 Geld in de zak is geen zakgeld
 De lumpsum bekostiging die gepaard gaat aan bestedingsvrijheid is evenals de marktwerking een relict uit de jaren zeventig en tachtig. Aan de marktwerking in de zorg wordt nu ernstig getwijfeld. Ook in het onderwijs worden er vraagtekens bij gezet. Wellicht is het tijd om de wijze van financiering van het onderwijs, met name ook van het Mbo te heroverwegen. 
 Als ik vroeger geld kreeg van mijn moeder om melk te halen dan ging ik daar geen snoep van kopen. Misschien wilde ik mijn zakgeld wel aanvullen of wat in mijn spaarpot stoppen, maar ik liet het wel uit mijn hoofd omdat de gevolgen niet te overzien waren. 
 Rob Nederkoorn