omslag werkdruk 1

Werkdruk, de plannen, de uitvoering en evaluatie (Artikel UnieNFTO Magazine november 2021)

Werkdruk staat bij het Platform hoog op de agenda. In 2014 al was werkdruk het thema van de Tweedaagse; in 2019 publiceerden we in samenwerking met TNO onze Handreiking werkdruk.  Naar de eerste ervaringen deden we onderzoek in 2020 resulterend in een publicatie daarover.

Geheugensteuntje: we schreven in 2019 ook het volgende:
“Iedere instelling in het Mbo moest, aldus de cao, vóór 1 juli 2019 een werkdrukplan hebben, de OR moest daar ook mee instemmen. Voor de OR, maar ook voor het CvB geen geringe opgave, gezien de korte tijd waarin dit gerealiseerd moest worden. Dat de OR ook een controlerende functie heeft bij de implementatie van het werkdrukplan is ook bij cao bepaald. Er staat dat: “bestuurder en OR ten minste eens in de twee jaar het werkdrukplan evalueren”. Ook moet het werkdrukplan op basis van deze evaluatie, zo nodig, worden bijgesteld.  De verantwoordelijkheid om het werkdrukplan op te stellen ligt bij de werkgever. Vraag is nu dus of dat is gebeurd en of het bepaalde in de cao dat “in overleg met de OR een proces wordt uitgezet, waarbij wordt geborgd dat het werkdrukplan draagvlak heeft bij het personeel van de instelling” ook in praktijk is gebracht. M.a.w. is de ondernemingsraad van meet af aan betrokken bij het proces en heeft men (CvB en OR) draagvlak verworven bij het personeel?”


We zijn nu ruim twee jaar verder, tijd dus om de vinger aan de pols te houden. En om te zien of de inbreng van de OR tot zijn recht is gekomen.
Tijdens de onlangs gehouden Tweedaagse is het onderwerp slechts even genoemd in het kader van de gelden voor de verbetering van de functiemix en vermindering van de werkdruk (ruim 400 miljoen, waarvan 25% voor vermindering van de werkdruk) beschikbaar gesteld aan de Randstedelijke instellingen. Volgens een recent onderzoek*) uitgevoerd in opdracht van het ministerie is niet na te gaan waaraan die 100 miljoen zijn besteed. Dat doet vermoeden dat het geld niet, of slechts gedeeltelijk is besteed aan vermindering van de werkdruk.


Als gezegd ‘bestuurder en OR moeten ten minste eens in de twee jaar het werkdrukplan evalueren’. En zo nodig bijstellen. Hopelijk gebeurt dat ook, of is het al gebeurd. Voor het Platform een interessante taak om te inventariseren hoe het proces van evaluatie en bijstelling is vormgegeven en verlopen.
De voor 2022 bijgestelde werkdrukplannen zouden nu wel beschikbaar moeten zijn. Natuurlijk met een overzicht van de financiële middelen die ervoor worden ingezet. CvB en OR hebben immers volgens de cao de verplichting daarvoor te zorgen. Belangrijk is het daarbij te onthouden dat er instemming op de hoofdlijnen van de begroting is en dat de middelen ten behoeve van het verminderen van de werkdruk daarin traceerbaar moeten zijn.

Het Platform Medezeggenschap zou graag op de hoogte worden gebracht van best practices m.b.t. de inspanning die OR'en samen met bestuurders hebben geleverd en de resultaten die ze hebben geboekt ter vermindering van de werkdruk. Binnenkort zullen wij daarom een evaluatieformulier sturen aan de aangesloten ondernemingsraden. Wij willen ook graag inzicht krijgen of de eerder gemaakte afspraken en de daaruit voortvloeiende acties c.q. beleid m.b.t. het verminderen van de werkdruk daadwerkelijk zijn nagekomen. Vragen die daarbij opkomen: zijn de werknemers betrokken; is de achterban geraadpleegd; is ook rekening gehouden met de uitkomsten van medewerkerstevredenheidsonderzoek?

Belangrijk is dat we een goed landelijk beeld hebben: de aangesloten instellingen kunnen door hun medewerking aan dit onderzoek hun steentje daaraan bijdragen. Met de uitkomsten van het onderzoek in de hand kunnen wij namens de aangeslotenen met de betrokken partijen het gesprek aangaan.

*) Zie pagina 38 van het Oberon rapport “Een gemengd succes. Evaluatie Regeling salarismix Randstadregio’s mbo” d.d. 14 september 2020, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van OCW.
“Een kwart van de middelen was bedoeld voor het verlichten van de werkdruk voor docenten, door extra functies voor docenten of instructeurs te realiseren. De specifieke inzet van dit deel van de middelen is vaak niet bekend en de effectiviteit is daarmee ook niet vast te stellen”.